Donderdag 24 april 2025
Na een korte wandeling door de regen kwam ik rond half 1 aan bij het stadsmuseum van Wroclaw. Dit is gevestigd in een voormalig Pruisisch kasteel. In mei 1945 werd het gebouw zwaar beschadigd tijdens het einde van de Tweede Wereldoorlog. In de jaren ’60 van de vorige eeuw werden delen van het kasteel gesloopt en de resterende delen werden gebruikt voor het archeologische en etnografische museum. Na een renovatie is hier sinds 2008 het stadsmuseum gevestigd, dat de geschiedenis van 1000 jaar Wroclaw in beeld brengt.

In de eerste ruimte van het museum is een verzameling medailles, medaillons en munten te zien waarop Poolse koningen zijn afgebeeld. Dit ter gelegenheid van het feit dat het 1000 jaar geleden is dat de eerste koning van Polen, Boleslaw de dappere gekroond is.

De volgende ruimte is gevuld met een verzameling porselein uit de 18de en 19de eeuw dat gemaakt is in Berlijn. In de tweede helft van de 18de eeuw ontstonden hier porseleinfabrieken. Sinds 1763 was er ook een koninklijke porseleinfabriek. Deze hield zich voor een deel bezig met het maken van porselein voor de koninklijke paleizen. Het was echter ook een inkomstenbron om het leger te onderhouden en er werd dus ook porselein gemaakt voor de commerciële markt.

De ruimte op de volgende foto is de “Beyersdorf kamer”. De muren van deze kamer zijn voor een deel bedekt met tegels uit het huis van Adrien Boegel, een textielfabrikant uit Hamburg. Het huis kwam in de eerste helft van de 19de eeuw in bezit van de familie Beyersdorf. Hij gaf de tegels en schilderingen in 1898 aan een museum. De tegels op de muur laten 279 verschillende Bijbelse, marine en landelijke motieven zien. De originele ordening van de tegels is niet bekend.

Hieronder zijn een aantal schilderijen te zien van de Duitse schilder Adolf Dressler. Hij leefde van 1833 tot 1881 en heeft veel schilderingen gemaakt van landschappen uit Silezië.

Een bijzonderheid is dit kruis (gemaakt tussen 1923 en 1928) met afbeeldingen van de lijdensweg van Christus.

In het museum is een verzameling van schilderijen uit de periode 1845 tot 1945 te zien. De makers komen uit Silezië en zijn hier ook opgeleid. Een belangrijke rol hierin had de koninklijke kunstschool die van 1791 tot 1932 bestond.

En bijzonder werk is het 12 meter lange schilderij met de titel “De wonderbaarlijke ontdekking van het hoofd van Sint-Jan”. Het is in het jaar 2000 gemaakt vanwege het 1000-jarig bestaan van de stad Wroclaw. De heilige Johannes de Doper is de beschermheilige van de stad. Zijn hoofd dat op een schaal ligt, is een deel van het wapen van de stad.

Hierna kom je in een zaal waarbij de geschiedenis van Wroclaw in beeld gebracht wordt. Volgens de overleveringen hebben rond het jaar 960 de plaatselijke stammen zich bekeerd tot het Christendom en werd de eerste ommuurde kerk gebouwd op een eilandje in de rivier de Oder.

Het eerste deel van de geschiedenis die aan bod komt is de periode tot 1335. In dat jaar stopte de heerschappij van de familie Piast over Polen. Verschillende belangrijke personen uit deze tijd komen aan bod. Een voorbeeld hiervan is Hendrik de Vrome. Hij overleed in 1241 in de slag bij Liegnitz tegen de Mongolen. Er zijn hier archeologische vondsten te zien, maar ook schilderijen en gebruiksvoorwerpen.


Door een overeenkomst tussen koning Jan van Bohemen en Henry VI van Wroclaw, werd het gebied in 1335 een onderdeel van Bohemen. De stad kreeg allerlei privileges waardoor de economische en culturele betekenis in Europa toenam. In deze periode (die tot 1526 duurde) werden allerlei religieuze gebouwen opgericht. Deze ruimte in het museum die de vorm van een kapel heeft, laat kunstwerken uit die tijd zien die toen in verschillende kerken van de stad hingen.

Op de eerste verdieping van de stad gaat de tentoonstelling verder over de periode 1526 – 1741. Wroclaw was toen een onderdeel van het Habsburgse rijk. Er ontstond toen een gemeenteraad die verantwoordelijk werd voor plaatselijke wetgeving. In het toenmalige gemeentehuis bevond zich ook de rechtbank en de schatkist van de stad. Hier is ook het stadswapen te zien dat de stad op 12 maart 1530 van Ferdinand I van Habsburg kreeg.

In de tijd van de Renaissance werden in Wroclaw door rijke burgers allerlei organisaties gesticht die zich onder andere met het ondersteunen van kunstenaars bezighielden. Deze rijke families gingen zich bezighouden met het verzamelen van waardevolle spullen en kunstwerken. Dit werd dan in kunstkamers tentoongesteld die te beschouwen zijn als de voorlopers van de huidige musea.

Een bijzonder object is het model van het orgel van de Sint Elizabeth kerk uit Wroclaw. Het oorspronkelijke orgel stamt uit 1752 en is verwoest bij een brand in de kerk op 9 juni 1976. Hierna is dit model gemaakt als herinnering aan het originele orgel.

In de Habsburgse tijd werd de stad een belangrijk centrum voor ambachtelijke kunst. Allerlei goudsmeden maakten werken die nu nog in vele Europese musea te zien zijn. Het museum laat een kleine selectie van voorwerpen uit deze tijd zoals schalen, wapens en muziekinstrumenten zien.

Hierna volgen weer een aantal historisch ingerichte ruimtes zoals een rococo kamer van Frederik II van Hohenzollern. In september 1750 kocht hij het paleis van baron Heinrich Gottfried von Spätgen en liet het verbouwen tot een koninklijk paleis. In het paleis kwamen veel Franse schilderijen te hangen.

Op de volgende foto staat de woonruimte van koning Frederik Willem III. Deze was in gebruik van 25 januari tot 22 april 1813 tijdens de oorlog met Napoleon. Hier maakte hij onder andere een volledige mobilisatie bekend en werd de Russisch-Pruisische alliantie ondertekend.

In de blauwe kamer ontving de koning belangrijke gasten tijdens de oorlog van 1813 tot 1815.

Het volgende deel van dit reisverslag is te vinden op deze pagina
Na een korte wandeling door de regen kwam ik rond half 1 aan bij het stadsmuseum van Wroclaw. Dit is gevestigd in een voormalig Pruisisch kasteel. In mei 1945 werd het gebouw zwaar beschadigd tijdens het einde van de Tweede Wereldoorlog. In de jaren ’60 van de vorige eeuw werden delen van het kasteel gesloopt en de resterende delen werden gebruikt voor het archeologische en etnografische museum. Na een renovatie is hier sinds 2008 het stadsmuseum gevestigd, dat de geschiedenis van 1000 jaar Wroclaw in beeld brengt.

In de eerste ruimte van het museum is een verzameling medailles, medaillons en munten te zien waarop Poolse koningen zijn afgebeeld. Dit ter gelegenheid van het feit dat het 1000 jaar geleden is dat de eerste koning van Polen, Boleslaw de dappere gekroond is.

De volgende ruimte is gevuld met een verzameling porselein uit de 18de en 19de eeuw dat gemaakt is in Berlijn. In de tweede helft van de 18de eeuw ontstonden hier porseleinfabrieken. Sinds 1763 was er ook een koninklijke porseleinfabriek. Deze hield zich voor een deel bezig met het maken van porselein voor de koninklijke paleizen. Het was echter ook een inkomstenbron om het leger te onderhouden en er werd dus ook porselein gemaakt voor de commerciële markt.

De ruimte op de volgende foto is de “Beyersdorf kamer”. De muren van deze kamer zijn voor een deel bedekt met tegels uit het huis van Adrien Boegel, een textielfabrikant uit Hamburg. Het huis kwam in de eerste helft van de 19de eeuw in bezit van de familie Beyersdorf. Hij gaf de tegels en schilderingen in 1898 aan een museum. De tegels op de muur laten 279 verschillende Bijbelse, marine en landelijke motieven zien. De originele ordening van de tegels is niet bekend.

Hieronder zijn een aantal schilderijen te zien van de Duitse schilder Adolf Dressler. Hij leefde van 1833 tot 1881 en heeft veel schilderingen gemaakt van landschappen uit Silezië.

Een bijzonderheid is dit kruis (gemaakt tussen 1923 en 1928) met afbeeldingen van de lijdensweg van Christus.

In het museum is een verzameling van schilderijen uit de periode 1845 tot 1945 te zien. De makers komen uit Silezië en zijn hier ook opgeleid. Een belangrijke rol hierin had de koninklijke kunstschool die van 1791 tot 1932 bestond.

En bijzonder werk is het 12 meter lange schilderij met de titel “De wonderbaarlijke ontdekking van het hoofd van Sint-Jan”. Het is in het jaar 2000 gemaakt vanwege het 1000-jarig bestaan van de stad Wroclaw. De heilige Johannes de Doper is de beschermheilige van de stad. Zijn hoofd dat op een schaal ligt, is een deel van het wapen van de stad.

Hierna kom je in een zaal waarbij de geschiedenis van Wroclaw in beeld gebracht wordt. Volgens de overleveringen hebben rond het jaar 960 de plaatselijke stammen zich bekeerd tot het Christendom en werd de eerste ommuurde kerk gebouwd op een eilandje in de rivier de Oder.

Het eerste deel van de geschiedenis die aan bod komt is de periode tot 1335. In dat jaar stopte de heerschappij van de familie Piast over Polen. Verschillende belangrijke personen uit deze tijd komen aan bod. Een voorbeeld hiervan is Hendrik de Vrome. Hij overleed in 1241 in de slag bij Liegnitz tegen de Mongolen. Er zijn hier archeologische vondsten te zien, maar ook schilderijen en gebruiksvoorwerpen.


Door een overeenkomst tussen koning Jan van Bohemen en Henry VI van Wroclaw, werd het gebied in 1335 een onderdeel van Bohemen. De stad kreeg allerlei privileges waardoor de economische en culturele betekenis in Europa toenam. In deze periode (die tot 1526 duurde) werden allerlei religieuze gebouwen opgericht. Deze ruimte in het museum die de vorm van een kapel heeft, laat kunstwerken uit die tijd zien die toen in verschillende kerken van de stad hingen.

Op de eerste verdieping van de stad gaat de tentoonstelling verder over de periode 1526 – 1741. Wroclaw was toen een onderdeel van het Habsburgse rijk. Er ontstond toen een gemeenteraad die verantwoordelijk werd voor plaatselijke wetgeving. In het toenmalige gemeentehuis bevond zich ook de rechtbank en de schatkist van de stad. Hier is ook het stadswapen te zien dat de stad op 12 maart 1530 van Ferdinand I van Habsburg kreeg.

In de tijd van de Renaissance werden in Wroclaw door rijke burgers allerlei organisaties gesticht die zich onder andere met het ondersteunen van kunstenaars bezighielden. Deze rijke families gingen zich bezighouden met het verzamelen van waardevolle spullen en kunstwerken. Dit werd dan in kunstkamers tentoongesteld die te beschouwen zijn als de voorlopers van de huidige musea.

Een bijzonder object is het model van het orgel van de Sint Elizabeth kerk uit Wroclaw. Het oorspronkelijke orgel stamt uit 1752 en is verwoest bij een brand in de kerk op 9 juni 1976. Hierna is dit model gemaakt als herinnering aan het originele orgel.

In de Habsburgse tijd werd de stad een belangrijk centrum voor ambachtelijke kunst. Allerlei goudsmeden maakten werken die nu nog in vele Europese musea te zien zijn. Het museum laat een kleine selectie van voorwerpen uit deze tijd zoals schalen, wapens en muziekinstrumenten zien.

Hierna volgen weer een aantal historisch ingerichte ruimtes zoals een rococo kamer van Frederik II van Hohenzollern. In september 1750 kocht hij het paleis van baron Heinrich Gottfried von Spätgen en liet het verbouwen tot een koninklijk paleis. In het paleis kwamen veel Franse schilderijen te hangen.

Op de volgende foto staat de woonruimte van koning Frederik Willem III. Deze was in gebruik van 25 januari tot 22 april 1813 tijdens de oorlog met Napoleon. Hier maakte hij onder andere een volledige mobilisatie bekend en werd de Russisch-Pruisische alliantie ondertekend.

In de blauwe kamer ontving de koning belangrijke gasten tijdens de oorlog van 1813 tot 1815.

Het volgende deel van dit reisverslag is te vinden op deze pagina

Reactie toevoegen